Geschreven door Gert Dorleijn
Gepubliceerd in De Wete, tijdschrift van de Heemkundige Kring Walcheren, 37e jaargang nummer 2 (april 2008).
Overgenomen met toestemming van de redactie.
Middenhof – een hofstede ‘over den Steenen padt’
-Een geschiedenis van een Souburgse hofstede en haar bewoners-
De burgemeester van Vlissingen zèlf moet er aan te pas komen. Met grote spoed komt hij aan bij hofstede Middenhof in West-Souburg. Er worden daar bomen en struiken gerooid die langs het Koopmansvoetpad staan. De eigenaar van deze bomen is de gemeente Vlissingen. Tenminste: volgens de visie van Vlissingen. Jan Dorleijn, en zijn moeder Neeltje Westveer, weduwe van Leendert Dorleijn, denken daar heel anders over. Wanneer de burgemeester op hoge toon eist dat er gestopt wordt met rooien, antwoordt Jan “dat het op zijn orders geschied was, te weten voor zijne moeder de weduwe van Leendert Dorleijn voornoemd, welkers zaken hij waarnam -met bijvoeging dat het hare boomen waren- dat hij er mede voort zou gaan en dat ze er allen aan moesten die ter lengte van hare belanding stonden.”
En dat gebeurt dan ook. Jan geeft zijn arbeiders opdracht met hakken verder te gaan. Protest van de burgemeester mag niet baten.1*
Hofstede Middenhof
Midden in Oost-Souburg (Kanaalstraat 62) stond tot 1950 hofstede Middenhof. Ooit gebouwd tussen de dorpen Oost- en West-Souburg, aan de lange straat die de beide dorpen met elkaar verbond. Tot de samenvoeging van beide Gemeentes in 1835 was het Westsouburgs grondgebied; door de aanleg van het Kanaal door Walcheren werd het later een Oostsouburgse lokatie.
De boerderij moest wijken voor woningbouw. Ter plaatse is nu onder andere de Middenhofsingel te vinden. In het begin van de jaren 1930 was er al grond onteigend voor de bouw van een nieuw Gemeentehuis2*, het huidige onderkomen van Omroep Zeeland.
Tussen 1774 en 1881 werd de boerderij bewoond door de familie Dorleijn. Mijn betovergrootvader werd er nog geboren. Na enig zoeken kwam ik in contact met enkele van de laatste bewoners van Middenhof, leden van de familie Arendse. Herinneringen van hen uit de jaren 1920-1950 en grasduinen in literatuur bieden de mogelijkheid tot een reconstructie.
De hofstedeTerug naar boven
Volgens niet uitgegeven herinneringen3* van Jacobus Arendse (1922-2006), zoon van de laatste pachter Arie Johannes Arendse, is het in de vorige eeuw “een geweldig groot en met name hoog huis in verhouding met de schuur.” Dat komt overeen met wat de schrijver van een boekje uit 18604* zegt (burgemeester M.C.Paspoort heer van Grijpskerke), die Middenhof noemt in een rijtje met hofsteden die met hun “overgeblevene vijvers en boerenwoningen” nog herinneringen zijn aan verdwenen buitenverblijven. In een genealogische studie over het geslacht Dorleijn5* (1983 en 1992) concludeert de schrijver dat er bij de boerderij wellicht ooit een herenhuis heeft gestaan. De formuleringen “seecker geheel huys ende hofstede met schuyringe stallinge backeete gevolge ende toebehooren” (bij de verkoop in 1677) en “sekere hofstede huysinge schuyre speelhoff ende gevolgen van dien” (bij de verkoop in 1687) zouden daar op wijzen. Hierover is verder echter niets bekend.
De woningTerug naar boven
De aan de schuur vast gebouwde woning, is lang en hoog. Het dak aan de korte zijde die niet aan de schuur grenst, heeft een schuin oplopende kant. De deur zit aan de lange zijde met links twee ramen en rechts twee, door de kelder iets hoger geplaatste, ramen. Aan de achterzijde is één raam in het midden van de woning.
Het huis heeft, in tegenstelling tot de meeste Zeeuwse hofsteden alleen een voordeur. De muren staan behoorlijk scheef. Vooral de achtermuur. Deze staat 25 cm uit het lood. Met toestemming van de rentmeester wordt er, in opdracht van Arendse, aan de binnenkant een houten wand voor gezet.
De indeling van de woning is als volgt: de voorvloer, waar het dagelijks leven zich afspeelt en waar je met de enige buitendeur direct binnenvalt. Hier is het eerste stukje afgescheiden door een wand met schuifdeur (het klompenhok, op de vloer lagen tegels). De voorvloer heeft één raam, tevens het enige raam aan de achterzijde van de woning. Er staat een grote tafel en een kolenfornuis. Links is dan de mooie kamer, met houten vloer, en rechts de hoge kamer, met rode plavuizen. Beide kamers hebben aan de voorzijde twee ramen; die van de hoge kamer, met een grote kelder eronder, enigszins hoger. De hoge kamer dient als slaapkamer. Er zijn twee bedsteden in gebouwd. Door een houten wand is deze kamer in tweeën gedeeld. Tussen de voorvloer en de hoge kamer bevindt zich de trap naar de zolder en de kelderingang. Aan de rechterzijde is, tegen de woning aan, de plee gebouwd.
Op foto’s6* is een onderbreking in het metselwerk te zien tussen hoge kamer en voorvloer/mooie kamer. Binnen worden deze twee gedeeltes gescheiden door een stenen muur, terwijl tussen voorvloer en mooie kamer slechts een houten wand is. Dit lijkt er op te wijzen dat het rechter deel van de woning ouder is. Het linkerdeel is er later bijgebouwd. Op de kaart van de Hattinga’s7* staat de woning los van de schuur. De vraag blijft of dit een juist beeld geeft van de werkelijkheid.
De zolder
De zolder wordt gebruikt als opslag voor overbodige spullen en opbrengst van de oogst. Zo noemt een boedelbeschrijving uit 18068* onder andere “omtrent zeventien zakken Tarwe, ses zakken Rijsselaar Boonen, omtrent veertig half Manden appels in soort, Eenige Partijen Set-Erten en Hoveniers zaden in soort, Elf Graanzakken in soort” maar ook “Een kakstoel, Een Hellebaard, Een Bierkrane en Rommelinge”.
Het erf
Een lange ‘baan’ vanaf de Kanaalstraat (vroeger ook wel Westsouburgsche Weg genoemd) leidt tot de hofstede. Aan de rechterkant staat voor de woning een stenen bakkeet met een oven uit ongeveer 1650. Links ervan is een welput. Rechts naast de woning staat het kippenhok, direct achter de woning een stenen varkenshok met pannen zadeldak, ook van rond 1650. Links van de aangebouwde schuur staat dan de houten wagenschuur met stenen fundering.
De schuurTerug naar boven
De al eerder genoemde boelbeschrijving uit 1806 vermeldt ook de dieren die in de schuur ondergebracht worden: “Een Paard oud Twintig Jaaren, Een Paard oud Twaalf Jaaren, vijf Melkkoeien in soort, Een kalfdragende vaarse, Een Jaarling vaarskalf, Een veth verken en Twee magere verkens.”
Op een foto uit het begin van de twintigste eeuw9* is te zien dat de schuur al van steen is, met een rieten dak. Arendse: “In 1929 besloot de eigenaar van onze boerderij dat er een nieuwe schuur gebouwd moest worden. De oude, met rieten dak, werd afgebroken en op dezelfde plaats werd de nieuwe gebouwd. Het werd een voor die tijd heel moderne, van steen, met betonnen vloeren en een zgn. Hollandse stal met veel meer vrijheid voor de koeien. Het drinkwater kon met een pomp en een ondergrondse leiding rechtstreeks in de voorbak worden gepompt. Wel met een handpomp natuurlijk. Alleen elektrisch licht was toen nog teveel gevraagd. Bij het monteren van de dakbalken vielen veel grote spijkers naar beneden die door mij naarstig werden verzameld in een kistje. De aannemer was een goede vent, maar een grote schreeuwlelijk. Hij zag mijn kistje staan en zei ‘Bedankt,’ en graaide het kistje mee. Wat een krent. Toen kwam de rietdekker. Het dak werd eerst gedekt met riet waar overheen dakpannen werden gelegd. Met de rietdekker mocht ik mee het dak op. Hij zette mij vast aan een touw.”10*
De oudste geschiedenisTerug naar boven
Op de beroemde kaart van Walcheren door de gebroeders Hattinga (‘geheel meetkundig opgenomen met het afsien der Hoeken, en sleepen der ketting in den Jare 1749’) is de boerderij, naast molen ‘De Pere’ uit 1725, langs het ‘Steene Gaanpad van Vlissingen op Middelburg’, op de grens met Oost-Souburg, duidelijk te zien. Maar we kunnen nog verder terug in de tijd. Bij de afbraak in 1950 wordt geschat dat de woning, de bakkeet en het varkenskot dateren van rond 1650. Maar nog ruim voor dat jaar is er al sprake van een boerderij op deze plaats.
J.W.F.Dorleijn noemt in zijn ‘Het geslacht Dorleijn in Zeeland – verslag van een genealogisch onderzoek’ en in zijn ‘Voortgezet onderzoek’ ene Janes de Moor als oudst bekende eigenaar. In 1589 verkoopt hij een hofstede met 7 gemeten en 142,5 roeden (2,9 ha.) in het Pier Coppools blok aan Marten Cornelisse: “Den block daer pier coppools inne placht te woonen ende nu Gheleijn pier coppools ghewoont heeft, den waterganck noort aff t’ gescheij van westersoub oost, ende den heerenwech zuyt ende west.” In 1625 verkoopt deze de hofstede “over den steenen padt” aan Cornelis Willeboorts. Via Pieter Mighiels Coopman (1650) en Pieter Michiels en Tanneke Wisse, zijn echtgenote, komt de “hofstede met schuyringe, stallinge, backeete gevolge ende toebehoren” in 1677 in handen van Gillis Adriaansen Tandt, koopman en schepen en raad van Vlissingen. Tien jaar later is Gillis overleden en koopt zijn vrouw, Neeltje Dimmens, het kindsdeel van de erfenis: ‘sekere hofstede huysinge schuyre speelhoff ende gevolgen van dien.’ In 1698 wordt Pieter Huybrechtsen uit West-Souburg de nieuwe eigenaar, die de hofstede op zijn beurt vijftien jaar later weer doorverkoopt aan Jacob de Baeth, schepen van West-Souburg. Er wordt 2100 gulden contant betaald en 1100 gulden met een onderhandse obligatie.
Het roode HekTerug naar boven
Jacob de Baeth heeft er niet lang gewoond, want drie jaar later blijkt hij overleden en wordt de boerderij gekocht door Mr.Daniel Vincentius, advocaat in Middelburg. Is deze Vincentius dezelfde als in het spookverhaal verteld door Gargon? “Niet lang geleden was ‘er overal, in dit Eiland, een gerucht verspreid, dat hier een spook of schim gezien wierd, die, van bovenmenschelijke gestalte en gedaante, ieder dreigde en schrik aanjaagde (..) De Heer Vincentius, niet bekommerd voor die Spook-geruchten, heeft het oud huis vernieuwt, en zo hoog opgetrokken.”11*
Vincentius zal de boerderij verpacht hebben tot deze na zijn dood in 1734 verkocht wordt aan Appolonia Vessuip. Haar zwager Pieter van As is erfgenaam en verkoopt de hofstede in 1758, samen met een naastgelegen boerderij die hij in 1739 had gekocht in het Andries Marinus Bogaerts blok, voor ₤937:18:1 aan Adriaan Looijsen uit West-Souburg. Middenhof, een naam die tot hiertoe nog niet voorgekomen is, blijkt in deze tijd ‘Het roode Hek’ te heten. Het roode Hek is 7 gemeten en 224 roeden (3,02 ha) groot, de andere hofstede 2 gemeten en 60 roeden (0,86 ha). Looijse is misschien op de eerste gaan wonen, want de andere hofstede wordt in 1739 al ‘vervallen’ genoemd.
Op 1 mei 1774 komen beide hofstedes in handen van Leendert Dorleijn voor het bedrag van ₤1150:0:0 Vlaams. Adriaan Looijse heeft kennelijk behoorlijk wat land bijgekocht, want samen zijn ze nu 35 gemeten en 140,5 roeden groot: 12 gemeten zaailand en 23 gemeten 140,5 roeden weiland. Leendert is geboren in 1742 in Aagtekerke als zoon van een ‘Meester-stroodekker’. Rond zijn twintigste trouwt hij met een meisje uit West-Souburg, Magdalena de Wolf, en gaat in Oost-Souburg wonen. Bij de koop van de hofsteden sluit hij een lening af voor ₤1100, die hij in 1789 al heeft afgelost. De zaken gaan kennelijk goed. In het gezinsleven gaat het minder, want zeven van de negen kinderen overlijden als kind en Magdalena overlijdt in 1780. Drie jaar later hertrouwt Leendert met de tweeëntwintig jaar jongere Neeltje Westveer uit Nieuwland. Zij krijgen samen zes kinderen: vijf dochters en één zoon. In 1783 blijkt de tweede, vervallen hofstede afgebroken te zijn.
De grondTerug naar boven
Uit de bodemkaart van Walcheren12* valt op te maken dat de hofstede nog net op een uitloper van een hoger gelegen kreekrug ligt. Evenals een groot deel van het Koopmansvoetpad, dat langs de landerijen van Middenhof loopt. Een bewijs voor de lange geschiedenis van de boerderij: er werd bij voorkeur gebouwd op de hoger liggende gedeeltes. Tot in de twintigste eeuw hadden boeren veel overlast van binnenwater. Zoals Peter Priester schrijft:
“Op de hoge ruggen had men immers minder overlast van regenwater, terwijl de zavelige en zandige bodem er gemakkelijker was te bewerken dan de zware klei-op-veen-gronden van de poelen. De akkers volgden dan ook bijna vanzelfsprekend het slingerende patroon van de kreekruggen. Op die manier ontstond de voor het oudland zo kenmerkende onregelmatige verkaveling. Het grillige landschap werd nog versterkt doordat ook de karrensporen en voetpaden op de ruggen kwamen te liggen.”13*
Uit de gegevens van het Kadaster uit 183214* blijkt dat er naast veel weiland, bos en boomgaard, slechts weinig land geschikt blijkt voor moesland of bouwland. Beide laatsten zijn vooral gesitueerd aan de toenmalige Westsouburgsche Weg. In de kadastrale sectie van West-Souburg waarin Middenhof lag, is de procentuele verdeling in 1832 zo’n 33% bouwland tegen 41% weiland (de overige 26 % bestaat uit boomgaard, moesland, ‘gronden van vermaak’ ed.)15*. Op Middenhof is de verdeling ongunstiger: 34% bouwland tegen 66% weiland.
Jacobus Arendse herinnerde zich veel veldnamen uit de jaren ’20 en ’30: “Onze weilanden en akkergrond hadden allemaal een naam. De hofwei, notenboomwei, varkenswei, hoge wei, padwei, knuutsweitjes, baanwei, kalverwei, sprinkwei, kemperbiezenwei, zandputwei en de nieuwe wei. De akkergrond was de boomgaard, voor het huis, het baantje, het stenen padje, de hoge meete, knuut, vijverstukje en ’t eiland.”16* Arie Arendse, de broer van Jacobus, kan na al die jaren nog aangeven welke naam bij welk perceel hoort.
Na 1774 – DorleijnTerug naar boven
Leendert Dorleijn laat de hofstede bij zijn overlijden in 1806 na aan zijn vrouw Neeltje Westveer en zijn acht kinderen. Neeltje wordt door aankoop eigenaresse van de hofstede met alle landerijen in 1807. Met Middenhof behoort Neeltje Westveer in 1832 tot de tien belangrijkste grondbezittende natuurlijke personen van West-Souburg. Deze tien grondbezitters bezitten samen ongeveer 55% van het grondbezit van de gemeente West-Souburg.17*
In 1825 speelt zij haar rol in een conflict tussen Vlissingen en West-Souburg over de eigendomsrechten van bomen langs het Koopmansvoetpad. De burgemeester van Vlissingen windt zich erover op: “Op de plaats des onheils aangekomen zag hij mensen bezig met kappen. Op zijn vraag op wiens order ze dit deden antwoordden ze dat ze dit deden op last van Dorleijn. De plaats waar men bezig was, was ongeveer ten westen waar de molen De Pere staat. En de grond langs het pad was van de weduwe Leendert Dorleijn.”18* Pas negen jaar later komt er een eind aan de onduidelijkheid over de rechten.
In 1834 verkoopt Neeltje de boerderij met het land voor f 9327,15 aan haar jongste zoon Jan Dorleijn (1796 West-Souburg – 1881 Oost- en West Souburg). Dezelfde zoon die de burgemeester van Vlissingen te woord staat in het conflict over de bomen. Jan is in 1825 lid van de Gemeenteraad van West-Souburg. Hij blijft dat tot de samenvoeging met Oost-Souburg in 1835. Tussen ongeveer 1844 en 1857 is Jan één van de twee Souburgse wethouders, samen met Hendrik Ficus Haman, geneesheer, die aan de oostzijde van het huidige Oranjeplein woont.19*
Jan is niet onbemiddeld. Zo koopt hij in 1842 voor zoon Janis (1821 West-Souburg – 1863 Oost- en West Souburg) hofstede ‘Niet Altijd Zomer’20* aan de andere zijde van het Koopmansvoetpad, grenzend aan Middenhof. De pachtprijs die Janis aan zijn vader betaalt bedraagt f 558,- per jaar. Zoon Leendert (1817 West-Souburg – 1877 Oost- en West Souburg) woont tot 1866 op hofstede Groot Abeele, in 1844 door Jan voor hem gekocht voor f 9962.
In 1852 gaat Jan met zijn vrouw wonen aan de westzijde van het huidige Oranjeplein en verpacht Middenhof aan zijn zoon Pieter (1822 West-Souburg – 1907 Middelburg) voor f 725,- per jaar.
Pieter zal Middenhof beheren tot de dood van zijn vader in 1881. Hij verhuist naar Middelburg waar zijn vrouw en zijn zoon Pieter het volgende jaar beiden overlijden. Zelf hertrouwt hij in 1883. Zijn tweede, tweeëntwintig jaar jongere, vrouw overlijdt negen jaar later. Zelf bereikt hij de leeftijd van 85 jaar.
Na het overlijden van Jan in 1881 worden Niet Altijd Zomer (voor f 4875,-) en Middenhof verkocht op een openbare veiling in herberg De Zwaan. De nalatenschap van Jan bedraagt f 63118,66. Een voor die tijd behoorlijk bedrag. Dat kwam onder andere doordat er nogal wat grond van beide hofsteden aan de Staat is overgedragen ten behoeve van Spoorweg- en Kanaalwerken. Een bedrag van bijna
f17000,- was belegd in (voor 80% Russische) aandelen en obligaties:
“Het bezit van een rijk boerenechtpaar bestond zelden alleen uit vaste goederen. De meesten bezaten ook effecten. Als zij bij een bankier kwamen om geld te beleggen, eisten zij in de eerste plaats, dat dit veilig zou geschieden. ‘Een paar Rusjes nemen,’ adviseerde de makelaar, die wel wist hoe hij met zijn boerenclientèle moest omspringen. De Russische staatspapieren golden toen voor het veiligste effectenbezit en werden algemeen, ook door de boeren gekocht.”21*
Middenhof komt in handen van Vrouwe Jacoba Suzanna Petronella Tak (1841 Engelen – 1908 Middelburg), echtgenote van dr.Abraham van der Swalme, geneesheer-directeur van het krankzinnigengesticht ‘Het St.Joris Gasthuis’ te Delft. Pachter is een zekere Pieter Cevaal.
Na 1890 – Arendse
Terug naar boven
In 1890 wordt Arie Arendse(1853 Vlissingen – 1907 Oost- en West Souburg) uit Vlissingen de nieuwe pachter. In 1917 werd Arie opgevolgd door een van zijn zoons, Arie Johannes Arendse (1893 Oost- en West Souburg -1966 Ens). Eigenaar is dan de familie Boogaert uit Middelburg. Vermoedelijk de familie die in Villa ‘De Sprenck’ aan de Seissingel woont. Arie Johannes is een bekend persoon in Souburg. Zo is hij bijvoorbeeld voorzitter van het schoolbestuur van de ‘School met den Bijbel’ aan het Oranjeplein en gemeenteraadslid.
Zoon Jacobus Arendse beschrijft in zijn herinneringen het leven op de boerderij. Over hoe hij zijn vader helpt op het land. Over de paarden die worden opgehaald uit de achterste wei, over de klavers die geplukt moeten worden voor de stier die ook ’s zomers op stal blijft staan, over het varken dat niet naar slager Minderhoud wil maar met een emmer op z’n kop wel mee móet, over meester Luteijn van de School met den Bijbel die in een landloperspak gier komt halen voor zijn tuin, maar tijdens het lopen nogal wat verliest. Het vee dat van de stal naar de wei gebracht wordt in het voorjaar, ruin Lodewijk die op het erf gecastreerd wordt. “We hadden paarden, koeien en kalveren, schapen, varkens, kippen en eenden. Ook enkele kalkoenen. Er was een grote boomgaard met hoogstam bomen.’ In de bakkeet werd nog volop gekookt, de melk van zaterdag en zondag werd er ontroomd omdat deze niet naar de fabriek kon. Er stonden petroleumstellen, maar er was ook nog een open vuur. In de grote schouw van de woning werd spek en ham gerookt. “Eenmaal per jaar kwam de rentmeester de boerderij inspecteren. Dat gaf ook voor ons grote drukte, want alles moest worden schoongemaakt en alle gras dat op het erf groeide moest worden weg geschoffeld en opgeveegd. Dat was ook de gelegenheid om verbeteringen te vragen. Moeder wilde graag een klein raam extra op de hoge kamer, genadig toegestaan.”22*
Oorlog23*
Terug naar boven
“De brandweerauto, nog geen jaar oud, stond niet veilig in de brandweergarage aan het gemeentehuis en werd geplaatst onder drie reusachtige perenbomen voor ons huis. Eromheen werden muren gebouwd van zandzakken. De bakkeet werd gepromoveerd tot bemanningsverblijf en de grote notenboom verving de droogtoren voor de slangen. Ook de baby-brandspuit werd bij ons geparkeerd en omringd door zandzakken.”
Over het bombardement op Middelburg op 17 mei 1940: “Wij zagen het hele bombardement gebeuren. De bommenwerpers vlogen heel laag over ons heen, want het afweergeschut was door de munitie heen. Het kabaal was zo verschrikkelijk dat we onder een grote doornstruik kropen terwijl de koeien allemaal om ons heen kwamen staan. Toen het ergste over was kwam er een soldaat en die vroeg mijn vader om zijn broek en kiel, want hij wou er tussenuit. Ik weet niet of mijn vader daarop is ingegaan.”
Over het einde van de strijd: “De moffen hadden zware bommen afgeworpen en de grote bomtrechters werden gebruikt om de paarden in te begraven. Anderen vingen de loslopende paarden en brachten ze samen in de eerste wei achter de boerderij bij ons thuis. tegen de avond waren er zo’n 400 bijeen. Ze vraten niet alleen het gras maar ook de zoden, zo uitgehongerd waren ze; het tuig werd allemaal neergegooid langs het pad naar de wei. Gigantische stapels.” De beste paarden werden door de bezetters gevorderd, de rest werd verkocht.
“Op een nacht viel er een bom bij een groep bomen op de hoge wei. De koeien waren juist daar aan het herkauwen. Een jonge koe, een lakenvelder en trots van onze kudde, kreeg een scherf in de uier. Wekenlang heb ik de wond driemaal per dag met sodawater uitgewassen, verder kon de dierenarts niets doen. Het dier is langzaam weggeteerd.” Op een keer wordt ook de schuur getroffen. Wanneer in 1944 Walcheren geïnundeerd wordt komt natuurlijk ook Middenhof in het zoute water te staan. Op een luchtfoto van de RAF van 18 oktober 194424 is duidelijk te zien dat de boerderij op de grens van hoger- en lager gelegen land staat. Er staat altijd water in de gebouwen. Met springvloed komt het tot zo’n dertig centimeter van de zolderbalken. Een opname uit het voorjaar van 1945 toont de fruitbomen op het erf, voor een laatste maal, bloeiend in het zoute water!25 Het lijkt symbolisch voor het naderende einde van een eeuwenoude hofstede. Enkele jaren later is Middenhof afgebroken en zijn de akkers en weilanden volgebouwd met woningen.
De familie Arendse verhuist in 1950 naar Ens in de Noordoostpolder waar zij een vervangend bedrijf begint. De naam van de boerderij? Middenhof!26*
Gert Dorleijn
Terug naar boven
Noten
1 ). Christ Peters, ‘Grepen uit Vlissings verleden - een bundel Vlissingse archiefsprokkels’,
Vlissingen 1992.
2 ). A.H.S.Stemerding, ‘De Gemeente Oost- en West Souburg – Gedenkboekje uitgegeven ter
gelegenheid van de opening van het Gemeentehuis op Zaterdag 26 augustus 1939’, Oost-Souburg
1939.
3 ). J.Arendse, ‘Herinneringen’, niet uitgegeven. Dank aan Tanny Meerstadt-Arendse te Emmen, en de
heer A.Arendse te Kinrooi voor alle informatie.
4 ). Jhr. M.C.Paspoort van Grijpskerke, ‘De gemeente Oost- en West-Souburg, eene statistische
bijdrage tot de plaatsbeschrijving van Zeeland, uit echte bronnen samengesteld’, Middelburg
1860, p.33.
5 ). J.W.F.Dorleijn, ‘Het geslacht Dorleijn in Zeeland – verslag van een genealogisch onderzoek’,
Maassluis, 1983, p.115 e.v. en J.W.F.Dorleijn, ‘Het geslacht Dorleijn in Zeeland – voortgezet
onderzoek’, Delft 1992, p.20. Alle hierna volgende historische informatie over de bewoners is
afkomstig uit deze twee werken.
6 ). ‘Vlissingen in Beeld’, digitaal nummer FA14693.
7 ). ‘Kaart van het eyland Walcheren’, in drs.W.J.M.Hoogendoorn-Beks en prof.dr. J.C.M.Hattinga-
Verschure, ‘De Hattinga’s en hun topografische atlassen’, Utrecht-Alphen aan de Rijn 1977.
8 ). J.W.F.Dorleijn, ‘-verslag’, 1992. p.325 e.v.
9 ). ‘Vlissingen in Beeld’, digitaal nummer FA9848 en FA9849, Gemeentearchief VLissingen
10). J.Arendse, ‘Herinneringen’.
11). M.Gargon, ‘Walcherse Arkadia’, Facsimile uitgave, Middelburg 1969, p.36-38. Dank aan W.P. van
der Heijden voor de tip.
12). J.Bennema en K.van der Meer, De bodemkartering van Walcheren, ’s Gravenhage, 1952
13). Peter Priester, ‘Geschiedenis van de Zeeuwse landbouw circa 1600-1910’ ’t Goy-Houten 1998,
p.27.
14). ‘Kadastrale Atlas van Zeeland 1832 – Vlissingen, West-Souburg, Oost-Souburg, Ritthem’, Serie
Walcheren deel 2, Middelburg 1997, p.24.
15). Ibidem, p.42.
16). J.Arendse, ‘Herinneringen’.
17). ‘Kadastrale Atlas van Zeeland 1832 – Vlissingen, West-Souburg, Oost-Souburg, Ritthem’, Serie
Walcheren deel 2, Middelburg 1997, p.24.
18). Christ Peters, 1992.
19). A.H.S.Stemerding, 1939; over deze bijzondere persoonlijkheid zie ook: J.Z.S.Pel, ‘Chirurgijns,
doctoren, heelmeesters en artsen op het eiland Walcheren 1700-2000’, digitale publicatie KZGW,
deel 1, Middelburg 2006.
20). zie ook: G.J.C. Uijt de haag, ‘Het Koopmansvoetpad’ in ‘Den Spiegel’, jaargang 15, nummer 3,
p.15-18.
21). J.Vader, ‘Oud Walcheren – Van mensen en dingen uit grootvaders tijd’, Middelburg 1950, p.20.
22). J.Arendse, ‘Herinneringen’.
23). Ibidem.
24). Zeeuws Documentatiecentrum, nummer 27899.
25). ‘Vlissingen in Beeld’ FA14693, Gemeentearchief Vlissingen.
26). www.flevolandbovenwater.nl, documentnummer 728291; over de familie Arendse en andere
Zeeuwen die in de Noordoostpolder een nieuw bestaan opbouwden zie: dr.D.J.Wolffram,
‘Zeeuwse pachters in de Noordoostpolder – selectie en bijdrage aan de sociale opbouw
1945-1962’, Lelystad 1995.
Terug naar boven
