Auteur: Frans van den Brink

 

In deze rubriek passeren straatnamen in Souburg en Ritthem de revue. Wie of wat schuilt er achter de bordjes

 

BECIUSSTRAAT

De man met de zeer fraaie tweede voornaam mr. Johan Assuerus Becius kon met recht een grootgrondbezitter worden genoemd. Daaraan zal zijn huwelijk met Erkenraad Anna Snouck Hurgronje ongetwijfeld hebben bijdragen. De familie Becius bezat onder andere huizen, weilanden en bouwgrond in Souburg, Vlissingen en Middelburg. Mr. Becius, burgemeester (maire) van Oost-Souburg gedurende de Franse tijd en daarna tot 1817 schout ( ‘aanvoerder’ van het gemeentebestuur) van Souburg, was ongetwijfeld vaak te vinden op zijn buiten Vierwegen aan de Abeelsezandweg. Hij schonk de kerk aan het Oranjeplein haar eerste orgel, waarschijnlijk een kabinetorgel uit rivébezit. Mr. Becius (1768-1823) was ook lid van Gedeputeerde Staten van Zeeland, een functie die zijn gegoede afkomst recht deed. Toen Souburg zijn oud-burgemeester in 1933 eerde met een eigen straat, verdween daarmee de Keyzersbaan.

 

BURGEMEESTER STERMERDINGLAAN


“Hij spreekt duidelijk, met een heldere en ver dragende stem, rustig en met overtuiging en hij maakte reeds direct de indruk een krachtige persoonlijkheid te zijn.’ Die loftrompet stak de verslaggever van de Vlissingsche Courant op 22 november 1937 over de nieuwe burgemeester van Oost- en West Souburg, A.H.S. Stemerding bij diens officiële entree in het dorp. Hij zou tot 1 januari 1962 aanblijven, met een korte onderbreking tijdens de oorlog, want hij werd in 1944 door de Duitse bezetters ontslagen, omdat die hem allesbehalve ‘Deutschfreundlich’ vonden. De burgemeester, die voorop ging in de vergeefse strijd om onafhankelijkheid, werd in Souburg geëerd door zijn naam te verbinden aan de belangrijkste doorgangsweg.

De Rotterdammer van geboorte leek aanvankelijk niet bestemd om de politiek in te gaan. Hij volgde een opleiding tot onderwijzer, werd uitgever, maar raakte toch betrokken bij het wel en wee van de toenmalige Christelijk Historische Unie. Van 1931 tot 1937 zat hij voor de CHU in de Rotterdamse gemeenteraad, waarvan vier jaar als wethouder van sociale zaken. In 1937 volgde zijn benoeming tot burgemeester van Souburg en het zegt wel iets over zijn kwaliteiten als bestuurder dat hij een jaar later al in de Zeeuwse Provinciale Staten werd gekozen.

De Vlissingsche Courant wijdde in 1937 bijna de complete voorpagina aan de intocht van burgemeester Stemerding. De verwelkoming mocht er zijn, want ‘te ongeveer één uur arriveerde op de Oude Vlissingscheweg bij de Oude Abeele de open landauer waarin de heer A.H.S. Stemerding met zijn echtgenote en twee zoons hadden plaats genomen. De erewacht van circa tachtig gardeneurs te paard (de flinke beesten zagen er prachtig uit met hun bonte versieringen) stond aan de kant van de weg opgesteld en bood een alleraardigste aanblik’, schreef de krant. Voorzitter J.C. Gabriëlse van de Souburgse Oranjevereniging viel de eer te beurt de nieuwe burgemeester te verwelkomen. ‘Uw leeftijd en uw ervaring geven het vertrouwen dat de belangen der gemeente en der bevolking bij u in goede handen zullen zijn en dat u met het hart en met kennis van zaken zult regeren en rekening zult weten te houden met de belangen van alle rangen en standen der bevolking voor welke gij naar ik hoop een echte burgervader zult willen zijn’, stelde Gabriëlse.
De burgemeester liet prompt weten dat hij met opgewektheid en energie zijn volle werkkracht zou geven aan de opbouw van de in tal en last groeiende gemeente. ‘Wanneer allen die geroepen zijn Souburg mede te besturen schouder aan schouder staande de moeilijkheden, welke deze ook mogen zijn, het hoofd pogen te bieden, dan zal zeker ook hier de Zeeuwse wapenspreuk ‘Luctor et Emergo’ (Ik worstel en kom boven) van toepassing zijn’.

Toen burgemeester Stemerding aantrad telde Souburg rond vijfduizend inwoners. Bij zijn afscheid eind 1958 (hij zou overigens nog tot eind 1961 waarnemend-burgemeester blijven in verband met de voorgenomen annexatie van de gemeente door Vlissingen) waren dat er al 7400. Hij overleed op 31 juli 1962 en werd herdacht als een energiek en algemeen gewaardeerd man. ‘Leven en werken van de heer Stemerding zijn onverbrekelijk aan Souburg verbonden’, herdacht loco-burgemeester M.A. van de Putte hem tijdens een buitengewone vergadering van de gemeenteraad. ‘We kunnen ons Souburg zelfs niet meer zonder hem indenken’.

Terug naar boven 

BUTEUXSTRAAT

Pieter Schelto Buteux, de vierde burgemeester van Oost- en West-Souburg,  werd te Heinkenszand geboren op 26 november 1865 als zoon van de burgemeester van Heinkenszand, Johan Pieter Idus Buteux en van Cecilia Johanna barones van Heemstra, telge van de Groninger Van Heemstra’s waaraan haar zoon ook de bekende tweede voornaam te danken had. Er is vrij weinig bekend over deze man, maar de familie Buteux was een typische Middelburgse regentenfamilie die vele leden van de familie in het bestuur kende. Van oorsprong waren de Buteux’ Frans. Voorvader Charles le Buteux was met zijn zuster Madeleine om geloofsredenen gevlucht naar de Noordelijke Nederlanden.

In hetzelfde jaar als zijn benoeming tot burgemeester van Oost- en West-Souburg trad hij in het huwelijk met Johanna Hendrika van Trigt. En spoedig volgden kinderen, twee dochters. De beide dochters groeiden op in Oost-Souburg waar het burgemeestersechtpaar woonde, en beide dochters trouwden ook in het voormalige gemeentehuis van de beide Souburgen. De oudste dochter Christina Johanna Hendrika trad in 1920 in het huwelijk met mr. Joannes Gerardus Veltman Fruin, de zoon van de bekende archivaris Robert Fruin. Haar jongere zuster Cecilia Johanna trad eerder, in 1916, in het huwelijk met mr. Arius Hendrik Goeman Borgesius, telg uit de bekende predikantenfamilies Borgesius en Cannegieter. Arius was een zoon van de bekende staatsman mr. Hendrik Goeman Borgesius. De vader van de burgemeester, Johan Pieter Idus Buteux, genoot overigens meer bekendheid dan zijn zoon. Hij zat van 1886-1888 in de Tweede Kamer voor de Liberale Unie. Erg spraakzaam is hij (daar) niet geweest, want in de annalen van het parlement staat onder het kopje ‘bijzonderheden’ dat hij er nimmer het woord voerde.

Terug naar boven 

F.LEENHOUTSTRAAT - F.LEENHOUTDWARSSTRAAT

Met de F. Leenhoutstraat en de F. Leenhoutsdwarsstraat wordt de Souburger herdacht die raadslid (1927-1957) en vanaf 1957 ettelijke jaren wethouder was. Bovendien was hij zeer actief voor het Rode Kruis waarvan hij de allerhoogste onderscheiding ontving.

 

GROOT ABEELE

Groot Abeele ontleent naam aan een oud adellijk geslacht

De Grote Abeele, die in 1939 blijkens een kaart, getekend door de toenmalige gemeenteopzichter van Oost- en West-Souburg nog Abeelscheweg heette, ontleent zijn naam aan het geslacht Van den Abeele. Deze edelen zouden afkomstig zijn uit de zuidelijke Nederlanden en tot het gevolg hebben behoord van de graaf van Henegouwen, die in 1299 de graafschappen Holland en Zeeland erfde. Helemaal zeker is dat niet, want volgens een andere bron stamde Hendrik Willemszoon van den Abeele uit de baronnen van Renaix en wordt hij als stamvader van het geslacht Van den Abeele genoemd.

De eerste kennismaking van de Van den Abeele’s met de buurtschap tussen Souburg en Vlissingen zal rond 1400 zijn geweest, toen ‘het oud edel bloed Van den Abeele’ daar een burgemeester had. Hendrick van den Abeele heette deze edelman. Ooit was de buurtschap een echt dorp mét kasteel en kapel, maar van beide bouwwerken is niets meer over. In het midden van de zeventiende eeuw meldt Van Grijpskerke: ‘Het kasteel is tot de grond toe geruïneert, soo dat niet als de naam is overgebleeven’.

Pietjeswagens
Predikant en rector Mattheus Gargon schrijft over Abeele in zijn Walcherse Arkadia (1755): ‘Thans wordt den Abeele gemeenlijk onderscheiden in den Grooten en den Kleinen Abeele, zijnde eerstgenoemde eene buurt die tot uitspanning van de inwoners van Vlissingen en Middelburg dient. Ook is hier een gestage doortocht tusschen deze beide steden en de voorlieden der zogenaamde pietjeswagens (postwagens) vertoeven er gemeenlijk eenige oogenblikken om hunne paarden te laten drinken, welk een en ander deze buurt op sommige tijden veel levendigheid bijzet. Aan den Kleinen Abeele dat een paar minuten noordwaarts ligt, staat slechts één herberg voor de mindere volksklasse’. De herberg in Groot Abeele genoot grote bekendheid. Auteur Martin van den Broeke verhaalt in zijn boek ‘Gelaagd land’ (1999) hoe de schrijver Jacob van Lennep en de staatsman Gijsbert Karel van Hogendorp er in 1823 samen met hun vriend Paspoort een flesje wijn dronken. ‘Daar zat een dronken boer sinds 2 ure, terwijl zijn wagen op hem wachtede en hij niet weg wilde. Met een zoet lijntje kreeg hem Paspoort daarop verder.’ Ooit stonden aan de weg door Abeele fraaie buitens met namen als Vierwegen, Reesburg, Poelwijk, Kerseboogert, Belle Vue en Rien sans Peine (niets zonder moeite). Veelal bewoond door heren die op gezette tijden de drukke steden ontvluchtten om in Abeele van het zoete plattelandsleven te proeven.

Terug naar boven 

HAAKSBERGENSTRAAT

De gemeenteraad van Oost en West Souburg hoefde er op 10 februari 1948 geen seconde over na te denken. De Twentse gemeente Haaksbergen verdiende de eer van een Haaksbergenstraat in het dorp volledig en daarom hoefde het besluit daartoe niet nader te worden toegelicht. Met een ferme hamerslag werd de Haaksbergenstraat een feit.

Een miniem bordje onder een van de straatnaamborden verwijst nog naar de reden ervan: Haaksbergen verleende hulp tijdens de inundatie Walcheren 1945. Het geallieerde opperbevel had besloten de Duitsers van het eiland Walcheren te verdrijven door de zaak onder water te zetten. Op 3 oktober 1944 wierpen 243 Lancaster bommenwerpers hun last op de zeedijk bij Westkapelle, maar het beoogde effect bleef uit. Vandaar dat de bombardementen op grotere schaal werden herhaald op 17 en 20 oktober en nu met meer succes. Het zeewater kreeg vrij spel en onder andere grote delen van Oost en West Souburg kwamen onder water te staan, bijna een jaar lang. Hoe hoog de nood was, beschrijft de Twentsche Courant in een terugblik uit 1980 op de adoptie van het dorp door Haaksbergen. Er arriveerde een treffend briefje van B en W van Oost en West Souburg op het Haaksbergense gemeentehuis. ‘Wij berichten u dat één schrijfmachine door de inundatie verloren is gegaan en twee door beschietingen’. En wat zijn ambtenaren zonder een schrijfmachine, nietwaar? Na de eerste contacten nodigde Haaksbergens burgemeester Eenhuis het college van Oost en West Souburg uit voor een bezoek aan Twente. Op 15 januari 1946 liet het Souburgse college de collega’s per brief weten nog geheel onder de indruk te zijn van de allerhartelijkste ontvangst. Waarop de brief meer zakelijk van toon wordt. Kennelijk om het ijzer te smeden als het heet is, verzoekt Souburg om enige tientallen meters gummisnoer. ‘Maar alleen onder voorwaarde als u het missen kunt’, blijft het college bescheiden. ‘Hier bestaat het meest behoefte aan wandschakelaars en stopcontacten, maar we weten dat u die ook niet hebt….’ Of er snoer en wellicht toch schakelaars van Haaksbergen richting Souburg zijn gegaan, vermeld de historie niet.

 

Terug naar boven 

HUDSONSTRAAT

Hudsonstraat herinnert aan hulp uit Amerika tijdens de overstroming

Een oude torenklok vormde in feite de aanleiding voor een hulpactie in 1945, toen Souburg voor een groot deel onder water stond. Vanuit de stad Hudson in de staat Ohio werden dozen met rubberlaarzen, rubberschoentjes en kleding naar het zwaar getroffen dorp gestuurd om te helpen de ergste nood te lenigen. Initiatiefneemster daarvan was Helen Kitzmiller, echtgenote van leraar Harrison Kitzmiller. Zij las in dat laatste oorlogsjaar in een Amerikaans tijdschrift een artikel over overstroomd Walcheren en wat haar bijzonder trof was de naam Souburg. ‘Die ken ik ergens van’, dacht ze. Haar man zette haar op het juiste spoor. ‘Er hangt een klok in onze schoolkapel waarin een spreuk staat gebeiteld waarin die naam voorkomt’, wist hij.

De juiste tekst bleek: ‘Soli deo gloria. Die mijnen naam wilt weten, Wester Souburch bin ick geheten’. Hoe deze klok, gegoten in 1611 door de Middelburgse klokkengieter Jan Burgerhuys, in Hudson terecht kwam, vermeldt de historie niet. Ooit hing hij ongetwijfeld in de reeds lang verdwenen kerk van West-Souburg en mogelijk is hij door een emigrant meegenomen naar Amerika. Daar werd hij, in elk geval nog voor de eerste wereldoorlog, gekocht door James W. Ellsworth, een rijk man die goede banden onderhield met de Western Reserve Academy, een particulier internaat in Hudson. Toen de klok in de schoolkapel het in 1944 begaf, schonk James Ellsworth zijn Souburgse klok aan het instituut.

Vriendschap Helen Kitzmiller, de geschiedschrijfster van de school, vond dat Hudson best iets terug mocht doen voor het bezit van de fraaie klok en startte een inzamelingsactie die een groot succes werd. Zo werd de basis gelegd voor een vriendschap tussen het toen duizend inwoners grote Hudson en Souburg. Een vriendschap die in 1948 uitmondde in een nieuwe actie. Helen las in de brieven die Souburgs burgemeester Stemerding haar stuurde dat de toestand in het Walcherse dorp nog verre van rooskleurig was. Ze organiseerde een Souburgdag en op allerlei manieren werden geld en goederen ingezameld om Souburg voor de tweede keer te helpen. Jongeren trokken met auto’s door Hudson om gebruikte kleding te verzamelen, inwoners gaven waardevolle zaken, zoals eikenhouten kledingkisten en zilver ter verkoop en de Nederlandse bakker Jacques Verhagen uit Cleveland, die in de krant over de actie las, maakte een formidabele taart van zestig pond in de vorm van de schoolkapel met klok, die voor een dollar per pond werd verkocht. Helen zelf  hield een gezellige theeavond ten bate van het goede doel. Ze serveerde er een oer-Hollands gerecht: hutspot en doopte dat hotpot. Dat de aardappelen, uien en wortelen apart werden opgediend, deerde de feestvierders allerminst.

Koningin De grootste surprise tijdens het feest was nog een telegram van koningin Wilhelmina, waarin zij haar waardering voor de hulp van Hudson aan Souburg tot uitdrukking bracht. Het gemeentebestuur van Souburg nam de taak op zich de vele goederen te verdelen onder de dorpelingen die de hulp het hardste nodig hadden. Zo werden eerst zestig voedselpakketten uitgereikt en dertig deken- en evenveel lakenpakketten. Op een later tijdstip arriveerden nog zeventien grote kisten met kleding en twee vaten met schoenen in Souburg. De dorpelingen konden tijdens een bijeenkomst in april 1950 in De Zwaan een film en talloze foto’s bekijken over de actie in  Hudson. Daar werd ook een grammofoonplaat gedraaid met het geluid van de oude Souburgse torenklok. Vanuit Souburg ging een foto naar Hudson met alle aanwezigen op de feestelijke avond erop en iedere dorpeling kon zijn handtekening zetten onder een oorkonde met een hartelijke groet van Souburg aan Hudson.

Vervolg Het contact tussen beide plaatsen kreeg op 6 december 1955 nog een vervolg toen het echtpaar Kitzmiller een bezoek aan Souburg bracht en daar uitgebreid gehuldigd werd. ‘De grootste eer die wij in ons leven mochten smaken’, schreef Harrison Kitzmiller daarover later. In 1991 flakkerde de vriendschap tussen Hudson en Souburg nog even op toen de familie Logan uit de plaats in Ohio naar Souburg kwam. Daarna werd het stil en nu herinnert alleen de Hudsonstraat nog aan de gulle gevers in Amerika. Toch is de hele geschiedenis aan de overkant van de oceaan nog lang niet vergeten. De huidige geschiedschrijver/archivaris van de Western Reserve Academy, Thomas Vince, bracht het verhaal van de klok en de hulpactie enkele jaren geleden nog in herinnering tijdens een uitzending van het plaatselijke televisiestation. Hij kon daarvoor putten uit de talloze knipselboeken, die mevrouw Kitzmiller indertijd maakte.

Hier een weblog artikeltje (in het Engels) van 11-dec-2006 waar het verhaal van hierboven aangehaald wordt.

Terug naar boven 

JACOB ISAAC SANDERSESTRAAT

Over de achtergrond van Jacob Isaac Sanderse is niet al teveel bekend. Hij werd op 2 mei 1754 in Koudekerke geboren en verhuisde in 1806 naar Oost-Souburg, waar hij het buiten Bergzigt tussen huize Abeelenburg en de Souburgschen Berg betrok, zoals een landkaart uit die tijd aangeeft. Onbemiddeld was hij zeker niet. Hij bezat tal van weilanden en bouwlanden, in totaal 28 percelen, in Oost-Souburg.

Op een lijst van hoofdelijke omslag tot suppletie (aanvulling) op de behoeften van de eredienst van de hervormde gemeente in het dorp prijkt Sanderse in de derde klasse van de tien klassen en werd hij geacht negen gulden bij te dragen. In de eerste klasse (twintig gulden) zat slechts één persoon, in de tweede klasse (twaalf gulden) stonden vijf dorpelingen vermeld. Ter vergelijking: dorpelingen in de tiende klasse betaalden een heffing van vijfenzeventig cent.

Bij besluit van 12 oktober 1817 benoemde Koning Willem I Sanderse tot schout van de gemeente Oost-Souburg. De functie van schout is te vergelijken met het burgemeesterschap. Overigens werd Sanderse dat ook werkelijk in 1825 toen de functie van schout gewijzigd werd in burgemeester.

Een gids van Walcherse gemeenten uit die tijd noemt Oost-Souburg ‘een zeer aangenaam gelegen kerkdorp.driekwart uurs zuidwaarts van Middelburg. De straatweg van deze stad naar Vlissingen loopt door het dorp en er is dus een gedurige doortogt van rijtuigen en voetgangers.’

Sanderse bleef in functie tot 1 januari 1835 toen de samenvoeging van de zelfstandige gemeenten Oost- en West-Souburg een feit werd. Niet lang daarna, om precies te zijn op 28 oktober 1835, overleed hij

Omdat Sanderse de laatste burgemeester van Oost-Souburg was, besloot de gemeenteraad van Oost en West op 20 februari 1948 een straat naar hem te vernoemen. In 1967 werd de J.I. Sandersestraat uitgebreid met het grootste gedeelte van de toenmalige Nieuwstraat en een gedeelte van de Braamstraat. Dit omdat de Nieuwstraat ook voorkwam in Vlissingen en er verwarring zou kunnen ontstaan met twee Nieuwstraten binnen dezelfde gemeentegrens.

Terug naar boven 

J.D.P. de Smitstraat

De J.D.P. de Smitstraat ontleent zijn naam aan de man die eerst gemeente-opzichter en later gemeente-architect was bij gemeentewerken Souburg. Hij eindigde in de jaren 1936-1966 zijn loopbaan als directeur van de Centrale Dienst Bouw- en Woningtoezicht Walcheren.

 

KOOPMANSVOETPAD

In vroegertijden was het Koopmansvoetpad precies wat de naam aangeeft. Een weg waarlangs de kooplieden, de marskramers, hun waar vervoerden van Vlissingen via West- en Oost-Souburg en Abeele naar Middelburg en omgekeerd. Ze moeten er tenminste een uur over hebben gedaan, maar het Gapad zoals het in het midden van de zestiende eeuw ook wel werd genoemd, was in elk geval goed bestraat en rechttoe rechtaan aangelegd.

Die bestrating had overigens heel wat voeten in de aarde. Nog maar nauwelijks waren West-Souburgers in 1540 met het leggen van de stenen begonnen of de Heer van Phalais. Karel van Bougondie, ontstak in mede en joeg de arbeiders zelfs van hun 'werk. Hij had geconstateerd dat er keien uit de oude voerweg over zijn grondgebied weggehaald werden ten behoeve van het Koopmansvoetpad en omdat de nieuwe voerweg nog niet was voltooid vreesde hij grote winterse ongemakken. Dat keizer Karel V in hoogsteigen persoon toestemming aan de Staten van Walcheren had gegeven stenen uit oude paden te slopen vroor de aanleg van het Gapad temperde de woede van de Heer van Phalais allerminst. Er was een rechtszaak voor nodig om verder te kunnen werken en de hooggeplaatste heer kreeg in zoverre zijn zin dat de uiteindelijke bestrating werd opgeschort. De verdere aanleg van het Koopmansvoetpad gebeurde voorlopig alleen door ophoging met grond uit aan beide kanten gedolven sloten en vervdgens niet van elders aangevoerd zand. Wegennet verbetering In de Franse tijd werden tussen 1807 en 1814 vestingwerken rond Vlissingen aangelegd en daarvoor verdween een deel van het pad. Toen de F random de wijk hadden genomen poogde het gemeentebestuur van Vlissingen het wegennet en dus ook het Koopmansvoetpad weer te verbeteren. In 1819 was men toe aan de verbinding met Souburg. maar tot verbijstering van de dorpelingen werd het pad helemaal niet opgeknapt. In plaats daarvan werden er klinkers weggehaald ten behoeve van het voetpad op een andere rijweg. De schouten (burgemeesters) van zowel West- als Oost-Souburg protesteerden furieus. Ze voerden aan dat het Koopmanssvoetpad een kerk- of molenpad van beide dorpen was en dat het geen pas had stenen daarvan te 'stelen'. Het bewijs was echter moeilijke te leveren en Vlissingen had kennelijk betere papieren in de juridische strijd. Dat de stad Vlissingen het onderhoud van het pad verzorgde leidde in 1825 tot opnieuw een knallende ruzie. In allerijl spoedde de toenmalige burgemeester van de Scheldestad zich toen naar Oost-Souburg. Hij had gehoord dat er bomen en struiken langs het Koopmansvoetpad werden gerooid en dat zonder vergunning van Vlissingen. Inderdaad zag hij Souburgers die verwoed aan het kappen waren, met -zoals ze beweerden - toestemming van de weduwe van Leendert Dorleijn aan wie de grond naast het pad toebehoorde. De zoon van de weduwe werd erbij gehaald en deze hield ondanks alle protesten van de burgervader voet bij stuk. Hij gaf doodleuk opdracht verder te kappen omdat het immers bomen en struiken van zijn moeder waren. Het duurde elf jaar voordat het geschil formeel werd beslecht. In 1836 werd er een overeenkomst ondertekend tussen Vlissingen en Oost- en West Souburg, waarbij de beide Souburgen het beheer over het pad van de molen van Souburg tot aan Abeele kregen, mits het pad zo snel mogelijk in fatsoenlijke staat zou worden gebracht. Vlissingen op haar beurt verplichtte zich bij te dragen in de kosten van achterstallig onderhoud. Vanaf 1867 betekende de aanleg van het kanaal opnieuw een forse aderlating voor het Koopmansvoetpad. Het deel tussen Vlissingen en Oost-Souburg verdween definitief. Na de overstroming van 1944-1945 werden de oude huisjes achter de molen en de hofstede 'Niet Altijd Zomer' van de familie Barentsen-Joziasse gesloopt. Het oude zeer smalle Koopmansvoetpad werd aanzienlijk verbreed en erlangs verschenen de eerste naoorlogse huizen van het dorp.

Bronnen: Het tijdschrift Den Spiegel (van de vereniging van Vrienden van het Stedelijk Museum en het gemeentearchief Vlissingen) 1997 nummer 3 en Archiefsprokkels uit De Vlissinger van 26 november 1986

Terug naar boven

M.A.VAN DE PUTTESTRAAT

Verdienstelijke Souburgers werden vaak geëerd met een naar hen genoemde straatnaam. Dat gebeurde bijvoorbeeld M.A. van de Putte, die van 1935-1962 raadslid was (vanaf 1945 wethouder) en van 4 september 1962 tot 1 januari 1963 waarnemend burgemeester.

Dat hij ermee ingenomen was, bleek uit een brief die hij in 1964 aan de gemeenteraad stuurde. ‘Door dit besluit – schreef hij in de toen niet ongebruikelijke derde persoon enkelvoud – en door reeds meer ondervonden blijken van waardering, voelt hij zich als kleine man groot gemaakt. Daarbij is hij zo vermetel om een groot gedeelte van de schuld van zijn verbeelding op Uw rekening te schrijven. Echter in de overtuiging dat een en ander een gevolg is geweest van onze jarenlange hartelijke en vertrouwelijke samenwerking in het bestuur van de gemeente Oost en West Souburg.’ Van de Putte eindigde zijn brief met een wens, die niet uit zou komen. ‘Nu weer een nieuw jaar begonnen is, wil ondergetekende de hoop uitspreken dat dit jaar uiteindelijk de beslissing zal vallen voor Souburgs blijvende zelfstandigheid. U moogt dan – om in de geest van ons wapen te spreken – als goede bezetters van de Burcht Uw overwinning vieren’. Het feest vond nooit plaats...

Terug naar boven

PASPOORTSTRAAT

Jonkheer meester Marinus Cornelis Paspoort, heer van Grijpskerke werd geboren te Middelburg op nieuwjaarsdag 1797 als zoon van mr. Zacharias Paspoort en Cornelia de Vriese. Hij werd op 8 november 1815 ingeschreven te Leiden als student in de rechten. Drie jaar later, op 21 oktober 1818 promoveerde hij op de dissertatie ‘De Fideijussoribus’. Na zijn studie vestigde hij zich als advocaat in zijn geboortestad waar hij al spoedig een plaats innam in het Middelburgs bestuur. Hij werd lid van de raad en wethouder. En niet lang daarna verkozen tot plaatsvervangend lid in de Provinciale Staten. Een jaar later in 1822 werd hij bevestigd als lid van de Provinciale Staten van Zeeland.

Er werd van hem gezegd dat hij van ‘vrolijke natuur’ was en dat hij vele spotverzen schreef op de deftige Middelburgers, waarvan er enkele bewaard zijn gebleven. Ook publiceerde hij ‘Mijn uitspanning in ledige uren’ en ‘Humors bruiloft’. Hij zou ook de man zijn geweest achter de in 1860 verschenen aanvulling op het acht delen tellende werk ‘Eenige Zeeuwsche Oudheden’, waarin Souburg in het geheel niet voorkwam. Zijn ‘vrolijke natuur’  is waarschijnlijk de oorzaak geweest dat hij - ondanks zijn kundigheid en rijkdom - niet de carrière maakte die hem toegedacht was. Wel werd hij (met al zijn wettige afstammelingen) in 1832 door koning Willem I in de adelstand verheven en werd hem het predikaat van jonkheer verleend.

Op 15 november 1834 werd hij benoemd als eerste burgemeester van de gecombineerde gemeente Oost- en West-Souburg. Saillant detail is dat het vermoedelijk gearrangeerd is geweest. Paspoort was namelijk getrouwd met de één jaar jongere zuster van de ambachtsheer, jonkheer Johan Cornelis Schorer. Maar zijn geschiedkundige interesses zullen er aan hebben bijgedragen dat een en ander over deze beide dorpen geschreven werd. Hij was in juli 1842 de initiatiefnemer en vermoedelijk zelfs de ontwerper van het huidige gemeentewapen van de Souburgen. Enkele jaren later, in november 1838 werd hij ook benoemd als burgemeester van Middelburg. Ingevolge een wet - die een combinatie van burgemeesterschap van gemeenten waarvan een met meer dan vijfduizend zielen verbood - werd hij op 9 februari 1852 uit zijn ambt te Oost- en West-Souburg ontslagen en werd hij opgevolgd door Arnout Jacob van Teylingen, waarover een andere keer meer. Een jaar later werd jhr. Paspoort lid van de Eerste Kamer der Staten Generaal, maar bleef wel burgemeester van Middelburg. In 1859 verzocht hij ontslag en het uitblijven van herbenoeming uit zijn functies en pensioneerde daarmee op 62 jarige leeftijd. ‘s Zomers woonde het gezin Paspoort op Schoonenburg te Oost-Souburg. Maar na de dood van zijn vrouw (jonkvrouw Dana Magdalena Schorer) in 1861, verhuisde hij naar Brussel en tien jaar later naar Den Haag, waar hij stierf op 7 februari 1874, 77 jaar oud.

Het echtpaar kreeg vijf kinderen, van wie vier zonen waren. De oudste zoon was Jonkheer Jacob Hendrik Paspoort, heer van Grijpskerke die te Middelburg geboren werd op 24 april 1825. Over hem is niet meer bekend dan dat hij in 1853 net als zijn vader burgemeester werd van Oost- en West-Souburg.  Op late leeftijd (42 jaar) trad hij in het huwelijk met jonkvrouw Marianne Sophie Charlotte van Citters uit een bekende Middelburgse familie. Zij zou hem zou overleven en overleed te Oostkapelle in 1911.  Jacob Hendrik stierf te Oost-Souburg op 12 juni 1893. Het echtpaar liet geen kinderen na.

De familie Paspoort stierf in 1922 uit met het kinderloos overlijden van de jongste zoon. De daarvoor overleden dochter (jkvr. Susanna Johanna Paspoort) liet wel kinderen na, maar die droegen de naam van haar echtgenoot, Boddaert.

Terug naar boven

VAN GINKELSTRAAT

Ook de Van Ginkelstraat draagt de naam van een verdienstelijke dorpsgenoot. Van Ginkel was de laatste gemeentesecretaris van Oost en West Souburg (1947-1966) en was tevens secretaris van de Souburgse Sportraad.

 

VAN TEIJLINGENSTRAAT

Arnout Jacob van Teijlingen bekleedde het burgemeestersambt van Souburg slechts één jaar. Van 1852 tot 1853.

Hij werd geboren in 1813 te Oeffelt onder Boxmeer en overleed in Oost-Souburg in 1857. Van Teijlingen was beroepshalve ook luitenant ter zee, rentmeester van het kroondomein, rijksontvanger, lid van de Zeeuwse provinciale staten en lid van de gemeenteraad van Middelburg.

 

VAN VISVLIETSTRAAT

Met het ophangen van het naambordje van de Van Visvlietstraat sloeg Souburg twee vliegen in een klap. De gemeente eerde hiermee Jakob Philip van Visvliet en Cornelis Marinus van Visvliet.

De eerste was hier gemeentesecretaris van 1837-1844; de tweede bekleedde die functie van 1844-1851. Van het tweetal was Jakob Philip de bekendste. In het standaardwerk ‘Levensberichten van Zeeuwen’, uitgegeven in 1893, wordt hij omschreven als klein van gestalte, maar groot door kennis en welwillendheid. Kortom als een man van betekenis.
Jakob bezocht in zijn jonge jaren de latijnse school in Middelburg en werd in 1838 naast zijn functie in Souburg benoemd tot secretaris van het college van regenten over de godshuizen. Hij verwief in juni 1857 de ridderorde eikenkroon wegens heldhaftig gedrag tijdens de grote brand in de Langedelft te Middelburg in juni 1857.

Terug naar boven