Inundatie van Walcheren

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

De inundatie van Walcheren, om strategische redenen, begon 3 oktober 1944. Het laatste dijkgat werd gesloten op 5 februari 1946.

Reden
Op 4 september 1944 was Antwerpen in handen van de geallieerden gevallen. Van daar uit trokken de geallieerden op naar Zeeuws-Vlaanderen, dat voor het eind van de maand oktober was bevrijd. Doordat aan de overkant van de Schelde het Duitse leger zich verschanst had was het echter onmogelijk de voor de oorlogsvoering belangrijke aanvoerhaven te gebruiken. De Duitsers hadden, vooral op Walcheren, grote bunkerstellingen met vèrdragend geschut gebouwd. Men besloot een strategische inundatie van Walcheren uit te voeren om de Duitse positie te verzwakken.

Bombardementen
De Slag om de Schelde

Op 3 oktober 1944 om twee uur 's middags valt de RAF de dijk bij Westkapelle aan, nadat een dag tevoren de bevolking was gewaarschuwd met pamfletten. Deze waren afgeworpen boven Walcheren en Zuid-Beveland, maar de tekst was zo cryptisch dat ze pas begrepen werd na de gebeurtenissen. Bovendien waren er beperkingen met betrekking tot het reizen op hoofdwegen en was het land bezaaid met mijnen. Behalve dat er een bres van zo'n 30 meter ontstaat (die later door erosie uitgroeit tot 125 meter), wordt bij dit bombardement ook het dorp Westkapelle verwoest, waarbij 158 mensen om het leven kwamen.

Het resultaat van het eerste luchtbombardement was onvoldoende en op 7 oktober tussen 13.00 en 15.00 uur worden de dijken bij Fort de Nolle in Vlissingen en bij Ritthem tussen Fort Zoutman en Fort Rammekens gebombardeerd. Op die laatste plaats is meteen al een bres van 300 meter geslagen, bij Vlissingen blijft het bij 50 meter. Hoewel het water nu wat sneller oprukt, is het nog niet genoeg en op 11 oktober wordt ook de dijk tussen Veere en Vrouwenpolder op verschillende plaatsen vernield en op 17 oktober volgt nog een tweede bombardement bij Westkapelle. Tot slot worden op 24 oktober de schutsluizen bij Vlissingen gebombardeerd waardoor het zeewater door het Kanaal door Walcheren kan oprukken. Bij de bombardementen werden gewone bommen gebruikt maar ook tijdbommen die pas na enige tijd ontploften, soms tot laat in de avond. Plannen van de Duitsers om nooddijken aan te leggen lopen stuk op de onwil van de bevolking zich hiervoor in te laten schakelen. Enkele dagen daarna heeft de Duitse verdeding zich in geïsoleerde hooggelegen stellingen teruggetrokken.

De aanval begint op 1 november met het optrekken uit zee door Engelse en Canadese troepen naar Westkapelle en Vlissingen, terwijl Canadese en Schotse troepen, die eerder bij Hoedekenskerke en Baarland op Zuid-Beveland waren geland, de Sloedam optrokken. Bij Westkapelle lukt het op twee plaatsen om aan land te komen. Eén groep trekt op richting Domburg, de andere richting Vlissingen. In Vlissingen duurt het enkele dagen om de stad te veroveren, geholpen door artilleriebombardementen vanaf schepen en uit Zeeuws-Vlaanderen. De Canadese troepen trekken van het oosten uit op in de richting Veere. Op 8 november is het Duitse leger op Walcheren verslagen. Nadat de Schelde ontdaan was van mijnen kon eind november naar Antwerpen gevaren worden. Op 16 december 1944 begonnen de Duitsers het Ardennenoffensief, manschappen en materieel dat de geallieerden nodig hadden om die aanval te weerstaan werden via Antwerpen aangevoerd.


Gevolgen
De kreek bij WestkapelleTweemaal per dag stroomde de vloed Walcheren binnen en er ook weer uit. Grote, diepe geulen ontstaan landinwaarts bij de plaatsen waar het water binnenkwam. Ook nu nog zijn deze plaatsen te herkennen in het landschap als kreken of welen vlak bij de zeewering. De lagere gedeeltes stonden permanent onder water, de hogere vielen droog bij eb. De dorpskernen, die van oudsher al op hoger gelegen plaatsen zijn gesitueerd, bleven vaak droog. Alleen ten oosten van de lijn Veere-Middelburg (langs het Kanaal door Walcheren) -Nieuwland-Rammekens kon het water dankzij oude zeedijken niet binnenstromen. Een deel van dit gebied liep alsnog onder water in 1953, toen gelukkig de enige overstroming op Walcheren. Naast de vier grote gaten in de zeedijken, zijn ook op andere plaatsen de zeeweringen beschadigd door oorlogsgeweld, waardoor het water bij vloed op drie over de dijken heenstroomt. Ook de zeeglooiingen, die de dijken moesten beschermen tegen de golfslag, waren op veel plaatsen beschadigd.

Omdat het water maar langzaam steeg waren er als direct gevolg van de inundatie weinig slachtoffers, maar vooral in Westkapelle zijn veel slachtoffers onder de bevolking gevallen door het eerste bombardement. Toch zijn daar mensen verdronken, maar dat kwam omdat ze bekneld zaten onder het puin en niet weg konden komen. De Duitsers hadden plannen om nooddijken aan te leggen, maar die leden grotendeels schipbreuk op de onwil van de bevolking zich hiervoor te laten inzetten. Plannen voor evacuatie naar gebieden buiten Walcheren hadden weinig succes, de inwoners gaven er de voorkeur aan te blijven, meer dan 30.000 mensen zaten in kleine gebieden bij Domburg en Middelburg. Pas na de bevrijding zijn minder dan tienduizend mensen naar Zuid-Beveland geëvacueerd.

Veel vee kon niet worden geëvacueerd en verdronk. Alle vegetatie die in het zoute water stond ging dood en de bodem raakte met zout doortrokken, waardoor land- en tuinbouw langere tijd bemoeilijkt werden. De voedselsituatie was in het begin nog redelijk, maar door het wegvallen van land- en tuinbouw en veeteelt ontstonden tekorten. Van de 19 duizend woningen werden er 3700 verwoest, 7700 hadden zware en 3600 lichte schade. Ook nu nog zijn er 'waterwoningen', die door het zout in de muren vochtig zijn. Voor de getroffen bevolking werden noodwoningen gebouwd, waarvan de laatste pas in de zeventiger jaren zijn gesloopt. De infrastructuur die niet verwoest werd bij de oorlogshandelingen, werd door de stroming verder vernield en overdekt met slib en zand. Van de hoger gelegen delen spoelde soms wel 50 cm grond af, die dan op andere plaatsen weer werd afgezet. Watergangen en afwateringssloten waren na de droogmaking vaak volledig dichtgeslibd.

Dichten van de dijken
Het dichten van de dijken, al in november 1944 begonnen, ondervond ernstige problemen door gebrek aan materialen zoals rijshout en stenen, slechte transportmiddelen en het ontbreken van infrastructuur. De aanwezige mijnenvelden leverden gevaar op.

Pas in juli 1945 komt de operatie goed op gang. Dat duurde zo lang omdat personeel en materieel uit de rest van Nederland pas na 5 mei 1945 ingezet konden worden. Toen kwam ook zwaar materieel van het leger beschikbaar, zoals bulldozers en vrachtwagens. Op 3 september lukt het om de Nolledijk bij Vlissingen te sluiten, om drie weken later door slecht weer opnieuw door te breken. Op 2 oktober wordt het gat weer gesloten en dezelfde dag wordt ook de dijk bij Westkapelle gedicht. Op 23 oktober wordt het gat bij Veere gesloten. Het westelijke deel van Walcheren, 14 duizend hectare groot, is hiermee afgesloten. Tussen Veere en Middelburg wordt in de dijk van het Kanaal door Walcheren een gat gemaakt en de droogmaking gebeurt zonder pompen, door bij eb de sluizen in Vlissingen en Veere open te zetten. Half december is het grootste deel drooggevallen, waarna gemalen het resterende water naar buiten pompten.

In het oostelijk deel resteren nog tweeduizend hectare land onder water. De dijk bij Fort Rammekens wordt op 1 december gedicht, maar de gebruikte caisson wordt onderspoeld door het water en pas op 5 februari 1946 lukt het om dit gat definitief te dichten. Het gat was in eerste instantie 300 meter breed, maar door afkalving van de dijk onder invloed van de stroming was dit gegroeid tot 750 meter. Het herstel van Walcheren werd aangegrepen om een herverkaveling door te voeren, waardoor het aanzien van het eiland, voorheen met kreekruggenlandschap, veranderde.

Caissons
De grote moeilijkheid bij het sluiten van zeedijken is de zeer sterke stroom die ontstaat door het hoogteverschil tussen eb en vloed. Bij Vlissingen is het hoogteveschil tussen eb en vloed bijna vier meter. 'Binnendijks' was dit na de inundatie gemiddeld een meter. Bij het dichten van de dijken werd gebruikt gemaakt van Phoenix-caissons die na de landing in Normandië door de Geallieerde Troepen waren ingezet voor het maken van provisorische havens.

Begonnen werd met het afzinken door belasting met natuursteen van zinkstukken, grote matten van gevlochten rijshout, om de bodem tegen verder uitschuren te beschermen. Vervolgens werd het gat van weerszijden steeds kleiner gemaakt. Het laatste gat werd afgesloten door er een schip of een een caisson in te laten zinken. Zo'n caisson wordt, op het water drijvend, naar het stroomgat gesleept. Bij het keren van het tij, als er gedurende een korte tijd nauwelijks stroming is, wordt hij afgezonken door middel van explosieven. Bij latere versies worden kleppen geopend, die worden gesloten als de caisson gezonken is. Daarna wordt de caisson opgevuld, bijvoorbeeld met zand en/of stenen. Bij de volgende hoogwaterstand is de caisson dan zwaar genoeg om op zijn plaats te blijven. Vaak zijn meerdere caissons nodig om een stroomgat te dichten, die dan in meerdere keren geplaatst worden. Vervolgens wordt er om de caisson heen een dijklichaam gebouwd.